Mick van MICH

Een roman en een album

Mick Johan is een heuse dubbeldebutant. Hij is drummer van de band MICH en auteur van de roman Totemdier Arafat. MICH bracht onlangs een zeer goed ontvangen debuutalbum uit waarover de Volkskrant schreef: ”MICH maakt puntig en goed geslepen gitaarpop.” Het Parool ging nog een stapje verder: “Het titelloze debuut, is een van de leukste Nederlandse platen van de afgelopen tijd.” en “The Cure in zijn meer poppy momenten.” Allemaal zeer positief dus en dat is voor Mick nog maar de helft, want hij brengt deze dagen dus ook nog zijn debuutroman uit. De uitgever Lebowski laat weten: “In Totemdier Arafat neemt Mick Johan de lezer mee naar de duistere en lichtelijk absurdistische wereld van een puberjongen vol testosteron, woede, angst en onzekerheid. Een grimmig humoristisch sprookje over volwassen worden.” Machtig mooi allemaal. En om dit te vieren kun je hier luisteren naar dat debuutalbum van MICH terwijl je hieronder al een hoofdstuk van het boek kunt lezen. Een primeur.

Mocht het je bevallen dan kun kun je hier het album aanschaffen en wil je het boek reeds bestellen mail dan naar: locals@excelsior-recordings.com

Over het boek:

Midden jaren negentig. De veertienjarige Tommie verhuist met zijn ouders en zus naar Seedorf, Duitsland, waar zijn vader als commandant in het Nederlandse leger gestationeerd wordt. Hij komt terecht in een saaie buitenwijk en krijgt op school tussen de andere kinderen van Nederlandse militairen al snel meer vijanden dan vrienden. Alleen bij Yasser Arafat, die in de kelder van het huis kreteksigaretten rookt en films met Charles Bronson kijkt, vindt hij troost en steun.

Dan ontmoet hij de jonge soldaat Tjendol, die Tommie introduceert in een wereld van  drugs, geweld en gabberhouse. Tussen de twee jongens ontstaat een verstikkende vriendschap. Wanneer Tjendol in verband wordt gebracht met een zelfmoord tijdens een missie sleurt hij Tommie mee in een neerwaartse spiraal.

Totemdier Arafat is een grimmige, humoristische roman over een puberjongen vol testosteron, woede, angst en onzekerheid die in razend tempo volwassen moet worden in een duistere, licht absurdistische wereld.

_________________________________________________________________________________________

De wacht kamer van het onbehagen

Niet ver van school is een middelgroot park waar we tussen de middag heen gaan om te blowen met Jabbo en Yoyo.

‘Vorige week heb ik Annika daar gezien. Die is kankergeil. Kankergeil.’

Yoyo houdt zijn rechterhand ter hoogte van zijn heup terwijl hij doet alsof hij een meisje vingert.

‘Heb je weleens een meisje gevingerd?’ Hij kijkt mij aan.

‘Natuurlijk!’

‘Weet je wat het geheim is van goed vingeren?’ Hij wacht niet op mijn antwoord. ‘Snelheid. Daarom kunnen gabbers zo goed vingeren. Het moet kankersnel, snap je? Kankersnel. Weet je wat ik altijd doe? Weet je wat ik altijd doe? Ik neem een gabbernummer in mijn hoofd, iets akeligs. Alles van Neophyte is sowieso goed. Neophyte. Minstens 135 bpm. Echt hard. Echt hard. Als je dan in haar broekje zit, beweeg je je hele hand op de beat, en je vinger twee keer zo snel. Dat vinden ze geil. Zo, kijk kijk kijk.’ Hij beweegt zijn hand op een fictieve gabberbeat en zijn vingers inderdaad twee keer zo snel. Ik heb medelijden met de meisjes die hij vingert, hoewel het misschien echt wel lekker voor ze is. Wat weet ik er nou van? Ondertussen is Yoyo vanuit de beukendehandtechniek met zijn hele lichaam aan het hakken geslagen. Met gierende banden komt er ineens een scooter vlak achter ons tot stilstand. We schrikken. Het is Martje.

‘Homo’s! Wat gaan we doen?’ Hij kijkt mij niet aan, maar alles wijst erop dat er wapenstilstand is sinds dat akkefietje in de wc. Desondanks ontwijk ik hem het liefst en ben ik op mijn hoede als hij in de buurt is.

Jabbo en Yoyo halen hun schouders op. ‘Yoyo was ons net een lesje kutvingeren voor gabbers aan het geven.’ Jabbo probeert een grap van Yoyo te maken, maar in zijn stem klinkt vooral jaloezie. Jabbo heeft volgens mij nog nooit iemand gevingerd.

‘Weet je waar ik zin in heb?’ Martje negeert Jabbo’s verhaal. ‘Ik heb zin om te vechten.’ Hij kijkt mij nu ineens recht aan met die enge kleine varkensoogjes, en mijn ingewanden klonteren stuiptrekkend samen. Het bloed trekt uit mijn handen en voeten en hoofd. Ik probeer ongemerkt stenen en stokken te lokaliseren. ‘Laten we een paar Duitsers zoeken om te slaan.’ De angstbal die zich in mijn maag genesteld had, lost even snel op als ie ontstaan was. Ik moet plassen. Mijn angst is urine geworden. De plas lijkt geler dan ooit, en ik denk even aan jicht. Mijn oom Alfred had jicht. Soms kreeg hij een aanval en dan kon hij een paar dagen haast niet lopen. Het zat in zijn knie. Mijn moeder vertelde me later dat het van de alcohol kwam. Oom Alfred was een enorme zuiplap. Het is haar oudste broer en hij is doodgegaan van verdriet, zo vertelde mijn moeder altijd. Hij verloor zijn vrouw toen ik nog klein was in een bizar ongeluk. Ze zaten samen in de auto, mijn oom achter het stuur. Bij het oversteken van een kruispunt werd hun auto geramd door een vrachtwagen vanaf de andere kant die uitweek voor een fietser. Haar duim was door de klap in haar oogkas vast komen te zitten. Dwars door haar oog en de frontale hersenkwabben. Sterven door je eigen duim in je oog. Zo’n absurde dood gun je niemand. Vanaf toen ging het bergafwaarts met oom Alfred, die ik enkel oud en chagrijnig heb meegemaakt. Mijn moeder vertelde me ook dat jicht urinekristallen zijn die in je gewrichten gaan zitten. Ik stel me zo voor dat je jicht krijgt als je je angsten niet los kan laten. Typisch dat jicht vooral bij oudere mannen voorkomt.

Als ik terugkom bij de rest lopen we met z’n vieren naast elkaar door het park. We bezetten de volle breedte van het pad. Tussen het pad en de rivier, die door het park meandert, staan platanen. De schors van de boom lijkt op Amerikaanse camoufl age. Die is zachter van kleur dan Nederlandse of Duitse. Ik zie soldaten uit de schors stappen die ons op professionele wijze neerschieten, en daarna iedereen in het park, en het hele dorp. Tot de stilte heerst, de stilte van de dood, de kruitdampen en de ninja’s. Dan zullen ze wederkeren naar het park en weer terug in de platanen stappen.

‘Die pakken we,’ zegt Martje.

In de verte komen twee Duitse jongens aanlopen. Kneuzen, maar wel groot. ‘Ik pak die lange.’ De kleine is ook langer dan ik, maar ik denk dat ik hem wel kan hebben. Eigenlijk kan ik ze allebei wel hebben. Zodra ze dichterbij komen begint Martje: ‘Ik heb gehoord dat je me een Arschloch noemt. Noem je mij een Arschloch, Arschloch?’

‘W-w-wat?’ Ze hebben geen idee. Ik heb met de jongens te doen, ze zien er al verslagen uit. Toch stap ik naar voren, richting de langste.

‘Zeg dan, heb je me een Arschloch genoemd of niet?’ Nog voordat Martje de zin afmaakt, sla ik de langste in zijn gezicht. Hij is zo verbaasd dat hij niet eens in de dekking gaat. Pets. Op zijn oogkas. Hij grijpt naar zijn gezicht, maar dan raak ik hem nog eens met mijn andere vuist. Pets, op zijn jukbeen. Het droge geluid van met dunne huid bedekte botten die een klap opvangen. Een wereld van verschil met filmgevechten. Vechtpartijen in films zijn de middelvinger naar het publiek van Hollywood. Het is tekenfilmshit. Mensen gaan zelden neer in één klap. En dat geluid, ik word elke keer weer kwaad als ik iemand een klap hoor krijgen in de film. Ondertussen steunt de lange Duitser met een hand en zijn knie op de grond.

‘Hör auf! Ik ken jullie niet. Ik zweer het, ik ken jullie niet! Hör auf!’ Hij schreeuwt het uit. Ik pak hem bij zijn haren en trek zijn kop naar achter. Zijn vriend doet helemaal niks. Mijn vrienden

doen ook helemaal niks. De wind ruist zachtjes door het bladerdak dat het pad overdekt. Alles is zo zinloos. Het maakt me woest. Ik kijk de lange Duitser in de angstige ogen. Ik sta boven hem. De combinatie van adrenaline en testosteron maakt dat ik me oppermachtig voel. Het is alsof mijn aura dat van hem opzuigt als een zwart gat. Dat moet het wel zijn, ik voel me groter dan hij. Terwijl ik hem aan zijn haren vast heb, sla ik hem nog een keer in zijn gezicht. Dan duw ik hem op de grond, waar ik hem nog een schop in zijn ribben geef. Het is allemaal zinloos, maar het voelt zo goed. Het voelt echt goed. Nu nog wel.

‘Wegwezen!’ Martje start zijn scooter. We rennen het park uit. Ik wil schreeuwen. Om de hoek bij de winkel van Andrej zien we elkaar weer. Martje staat een jointje te draaien. Iedereen is wildenthousiast. Jabbo doet alles nog eens na. Martje geeft de joint aan mij: ‘Jij mag hem opsteken.’ Na drie hijsen is alle energie van de lange Duitser in de lucht verdampt. Mijn mond loopt na iedere trek vol speeksel. Als ik mijn mond open stroomt het eruit, er ligt een plasje aan mijn voeten. Ik kwijl door die vieze joint als een bejaarde, maar hij werkt wel.

We gaan naar Andrej om snoep en cola te halen. Hij kijkt op van zijn krantje op het moment dat we binnenlopen. Meteen kijkt hij naar mijn hand, waarvan ik de knokkels streel met mijn andere hand. Het lijkt alsof hij ruikt dat ik gevochten heb. Hij knikt bemoedigend.

‘Endlich zurückgeschlagen? Gut.’

Ik grinnik. Ik kan alleen maar een beetje dom grinniken. Als we langzaam naar school teruglopen merk ik pas hoe knetterstoned ik ben. De lucht flikkert in mijn ooghoeken.

De leraar ziet het meteen. Hij heet Luuk Veldman, en we moeten Luuk zeggen in plaats van meneer Veldman. ‘Hoi Luuk,’ zeg ik verveeld.

‘Goedemiddag, Tom. Gaat het een beetje?’ vraagt hij sarcastisch.

‘Jawel, ik heb gezwommen vandaag, daar krijg ik altijd rode ogen van.’

Hij probeert me zo indringend mogelijk aan te kijken en schudt zijn hoofd. Luuk, de maatschappelijk werker. Ik steek de twee vingers op. ‘Peace man.’ Ik zie de moedeloze boosheid in Luuk groeien. De les kan beginnen.

Het stoned zijn is zwaarder dan ooit. De skunk van Martje heeft een gat in mijn bodem geslagen. Het maakt het neerkomen van de high van de vechtpartij dieper en zwarter. Ik voel me rottig voor die jongen, en de geschaafde huid om mijn knokkels prikkelt. Soms is het helemaal niet lekker om stoned te zijn. Ik heb het net een beetje te koud, en alles wat ik zie komt te laat binnen. Het is als zwemmen in de Noordzee na een fl inke westerstorm, als er van dat dikke gele schuim op het water drijft, en stront. Bij een stevige storm zetten ze de riolen open en dan drijft de stront de zee in. Het troebele water is dan nog bruiner, nog dikker dan normaal. De golven komen van alle kanten, waardoor het onmogelijk is je hoofd boven water te houden. De onderstroom trekt je naar beneden. Een dikke slok modder binnenkrijgen is onvermijdelijk. Daar ga je van hoesten en zo raak je nog sneller uitgeput. De vieze zee wil je verzwelgen. Ze is eropuit om je in haar op te nemen en uit te spugen. Tot je dezelfde drijvende stront bent als waar je door omgeven wordt. Ik zit in een wachtkamer van klotsend en smerig Noordzeewater. De Wachtkamer van het Onbehagen.

Er wordt op de deur van het klaslokaal geklopt. Het is Boss Hogg. Alsof er nog niet genoeg onbehagen was. Ik mis nog steeds de cowboyhoed. Zonder iets te zeggen wendt hij zich naar mij. ‘Meekomen.’

In mijn maag gaat een schrikbom af die mijn onbehagen nog erger maakt. Opnieuw dringt de gedachte aan jicht zich op. Helaas beweegt de Wachtkamer des Onbehagens met me mee, waardoor ik nogal onvast op mijn benen sta. Ik loop tegen mijn tafeltje. Mijn been verstijft. De zwaartekracht lijkt ook geen zin te hebben in mijn rendez-vous met Boss Hogg. Zwijgend gaat hij me voor op de gang. Alles gaat helling op en met wind tegen: de Wachtkamer van het Onbehagen is onverbiddelijk. Het einde van de gang lijkt mijlenver. Boss Hogg loopt rap met zijn korte beentjes voor me uit. Zijn adem klinkt zwaar. In de gang ruikt het naar een pot oude latex. Ik voel me als een pot oude latex in de gang. Deze gang. Een prefab woestijn.

Eindelijk zijn we bij de deur van Boss Hogg. Het contrast tussen de ellendige gang en de kitscherige inrichting van zijn kantoor bezorgt me hoofdpijn. ‘Zitten.’ Ik besef dat hij al die tijd slechts twee woorden heeft gesproken. Dat kan niet goed zijn. ‘Laat me je handen eens zien.’ Ik steek mijn handen naar voren met mijn handpalmen naar boven. ‘Andere kant.’ Hij klinkt dwingender dan ooit. Vanuit zijn lichaam schijnt een bouwlamp op zijn huid, waarin het silhouet van zijn ingehouden woede zich heel duidelijk aftekent. Ik draai mijn handen om. Hij ziet mijn geschaafde knokkels. ‘Je hebt gevochten.’ Nog voor ik kan ontkennen gaat hij verder. ‘Ik kreeg zojuist een telefoontje van Herr Höss, directeur van de Oberschule. Hij vertelde dat een van zijn leerlingen vanmiddag in elkaar is geslagen door Nederlandse jongeren. Hij vertelde me ook dat een van hen er behoorlijk gehavend uitzag. Wij weten allebei dat jij het was. Of niet soms?’

Ontkennen heeft geen enkele zin. Ik knik, en verwonder me over het gewicht van mijn hoofd. Ik draag dat ding al mijn hele leven op mijn schouders. Boss Hogg ratelt door over zijn reputatie, en de band tussen de Nederlanders en de Duitsers in Zeven en hoe ik deze eigenhandig om zeep zal brengen door mijn gedrag. Als ik mijn hoofd in mijn handen zou moeten dragen, zou ik het nog geen twee dagen volhouden. Waar moet je eigenlijk je hoofd laten als je te moe bent om het te dragen? Of blijf je dan thuis met je hoofd? Ondertussen praat Boss Hogg met geïrriteerde stem verder over dat wij te gast zijn in deze gemeente, en over alle zogenaamde offers die hij brengt om de relatie goed te houden. Ik kijk naar het hoofd van Boss Hogg. Het lijkt niet zo heel groot, wat vooral opvalt is dat hij bijna geen nek heeft, en een stevige onderkin. Die lijkt een eigen leven te leiden. De boord van zijn overhemd snijdt in die onderkin, die zeker wel een kilo moet wegen. Ik ben blij dat hij niet begint over het feit dat ik apestoned ben.

‘We gaan ernaartoe en jij gaat je excuses aanbieden.’ Abrupt staat hij op, hij grist zijn autosleutels van de tafel en beent met zekere stapjes naar de deur. Ik sta ook op, nog steeds zwaar, misschien wel nog zwaarder omdat ik me bewust ben van het gewicht van mijn hoofd, en loop Boss Hogg achterna. Mijn stonedheid lijkt langzaam wat weg te ebben, de eerste ademteug buitenlucht doet me goed. Helaas stappen we meteen de auto in. De Saab van Boss Hogg zit heerlijk, maar stinkt naar sigaar en paard. De hele weg naar de school wisselen we geen woord. Het is niet warm, maar toch een mooie dag. Gelukkig mag het raam open. De constante stroom frisse wind in mijn gezicht maakt het lastig ademen, op een lekkere manier.

De Duitse school is echt een Duitse school. Alle leerlingen zien eruit als alto’s en skaters, met langig haar, tweedehandskleding en Doc Martens, Vans of Clarks. Normale mensen. Het voelt als een compleet andere wereld. De aanblik van zoveel normaals, zo dicht bij de gesloten wereld waar ik me in bevind, verwart me. Het Hollandse vacuüm in de Hollandse cocon is ineens kleiner dan ooit. Als we het kantoor van de directeur binnenlopen zit daar de lange Duitser. Zijn hele gezicht is rood, opgezwollen en geschaafd. Hij ziet er vreselijk uit en kijkt me angstig aan. Mijn maag draait zich om van ellende terwijl ik me aan hem voorstel. Schaamrood trekt als een kleurenfi lter over mijn hele lichaam. Hij heet Sidney.

‘So Junge, wat heb je te zeggen?’ Höss draait er niet omheen.

‘Het spijt me,’ stamel ik. ‘Ik weet niet wat ik deed. Of waarom. Ik wilde je niet echt in elkaar slaan, maar... Ik weet niet.’

‘Kijk hem aan, Junge. Kijk hem aan!’ Höss wijst met een dikke vinger in de richting van Sidney. Ik kijk hem aan. Ik probeer te huilen, maar dat lukt niet. Ik kan niet bedenken waarom ik die arme jongen eigenlijk geslagen heb. De totale willekeur van het moment slaat me als een natte zeem in het gezicht. Waarom zou je iemand zomaar slaan? En waarom voelt het zo goed? Sidney is een onschuldig slachtoffer van mijn woede. Collateral damage. Mijn woede is geen scherpschutter, het is een fragmentatiebom met een hart vol spijkers. Gemaakt om schade aan te richten bij iedereen die toevallig in de buurt is. Deze heldere gedachte verschijnt in mijn hoofd als een gaatje in een strontgrijze wolkenlucht. Ondertussen begint Boss Hogg een verhaal over hoe beschamend hij mijn gedrag vindt. Ik kijk zo schuldbewust mogelijk naar de grond, dat lijkt me het beste om te doen. Ik ben niet meer stoned, alleen maar moe. Moe en kwaad op mezelf. Boss Hogg weidt uit over de vriendschap tussen Nederlanders en Duitsers in Zeven. Hij zou de politiek in moeten. Die arme Sidney zit er ongemakkelijk bij. Hij heeft er ook niet om gevraagd. Ik bied nog een paar keer nadrukkelijk mijn excuses aan, precies zoals het hoort. Uiteindelijk stelt Boss Hogg voor dat Sidney en ik vanmiddag na school samen een ijsje bij de ijssalon gaan eten. En ik krijg een nog door hem te bepalen straf opgelegd. Höss stemt daarmee in, sterker nog, hij zal het betalen, zegt hij. Iedereen geeft elkaar een hand om de afspraak te bezegelen, en daarmee is het gesprek voorbij. Het lijkt allemaal wel mee te vallen, tot ik weer met Boss Hogg in de Saab zit. Voor hij de auto start zegt hij: ‘Als je nog een keer zoiets flikt, schors ik je voor onbepaalde tijd. Dan zoek je het maar uit. Ik heb absoluut geen tijd voor dit soort zaken, hoor je?’ De woede die hij in me losmaakt voelt als een vertrouwde deken. Ik kijk hem minachtend aan en knik.

Die middag fiets ik naar Santin, de ijssalon. Een goeie, we zitten er weleens met z’n allen na school. Als je er een cappuccino bestelt krijg je een koffie met slagroom, maar dat is volgens mijn moeder typisch Duits. Het is eigenlijk te koud voor een ijsje. Sidney staat me al op te wachten. Ik geef hem een stevige hand en zeg: ‘Heb je het geld?’ Hij knikt. ‘Geef me het geld en ik zal je voor altijd met rust laten.’ Zonder tegenspraak geeft hij me de vijftien mark die hij van Höss heeft gekregen. Terwijl ik naar huis fiets vraag ik me opnieuw af waarom ik niet gewoon een ijsje kan gaan eten met die jongen, en weer heb ik medelijden met hem. De vijftien mark in mijn zak brandt mijn schuldgevoel snel weg.